Overlijdensschade
De materie van de vaststelling van schade ex art. 6:108 BW wordt beheerst door de begrippen behoefte en behoeftigheid, welke er o.m. toe leiden, dat toekenning van smartengeld aan de nabestaanden (nog) niet tot de mogelijkheden behoort. Wel kan sprake zijn van een vergoedbare shockschade.
De nabestaanden genoemd in art. 6:108 BW hebben ieder een eigen vorderingsrecht en dit zijn in de eerste plaats de partner en de kinderen.
Over deze materie is in het verleden, ook door de Pals Groep, vaak tot in hoogste instantie geprocedeerd, waardoor jurisprudentie tot stand is gekomen, welke de positie van de nabestaanden beschermt.
Voor de vaststelling van de onderhoudsschade zijn vele juridische aspecten van belang. Veel van deze aspecten zijn inmiddels tot in hoogste instantie uitgeprocedeerd, zodat de complexiteit van de materie niet leidt tot rechtsonzekerheid. Ook zijn bij de bepaling van de onderhoudsschade de aspecten als vermeld in de paragraaf Letselschade van belang.
Het feit, dat ingevolge het behoeftigheidsprincipe een levensverzekering-uitkering in mindering komt op de berekende onderhoudsschade wordt door veel nabestaanden als onrechtvaardig en dader-beschermend ondervonden.